BHVU wilt weten hoe u het intern noodplan en uw BHV-organisatie moet opzetten? Dat zullen wij u hier onthullen.
 
Wilt u deze handleiding gebruiken op een website, in een artikel of een nieuwsbrief?
Dat mag, mits u daarbij een link vermeldt naar onze internetsite: www.nedcert.nl en daarbij aangeeft dat deze handleiding is gebaseerd op de NedCert BHV methode.


Cursussen >>

Zoektip
Druk op Ctrl+f of ⌘+f om te zoeken in deze pagina.

Inleiding
NedCert heeft in de kerncommissie Bedrijfshulpverlening bij de NEN de NedCert BHV methode gratis ter beschikking gesteld voor het opstellen van de NEN 4000 Bedrijfshulpverlening, welke norm hierop is gebaseerd. In deze handleiding wordt er van uitgegaan dat de BHV-organisatie is ingericht met Safety and Health Officers (SHO'ers), die zo nodig worden geassisteerd door bedrijfshulpverleners.

Handleiding opzetten intern noodplan en BHV-organisatie

SHO'ers zijn allround bedrijfshulpverleners van hoger competentieniveau, officieel aantoonbaar door de certificaten SEHSO + SEHCI. Als SHO'ers deel uitmaken van uw BHV-organisatie, sluit de kennis en vaardigheden van uw bedrijfshulpverleners perfect aan op de Nederlandse BHV Norm NEN 4000. 

Dit is een handleiding voor het opzetten, onderhouden en continu verbeteren van een BHV-organisatie volgens de NedCert BHV methode en is het continu verbeteren van veiligheid en gezondheid in een organisatie met behulp van Safety and Health Officers (SHO'ers).

Uitgangspunten

In Richtlijn 89/391/EEG, van 12 juni 1989, van de Raad van de Europese Gemeenschappen, betreffende de tenuitvoerlegging van maatregelen ter bevordering van de verbetering van de veiligheid en de gezondheid van de werknemers op het werk, zijn verplichtingen vastgelegd voor werkgevers en werknemers over veiligheid en gezondheid op het werk. Alle landen van de Europese Unie moeten deze richtlijn verwerken tot nationale wetgeving en in Nederland is dit terug te vinden in de Arbeidsomstandighedenwet. In deze Wet wordt gesproken van het verlenen van bijstand door deskundige werknemers op het gebied van preventie en bescherming en deskundige bijstand op het gebied van bedrijfshulpverlening.

Als uw deskundige werknemers in het bezit zijn van de certificaten SEHSO + SEHCI, heeft u zowel de bijstand op het gebied van preventie en bescherming (Art. 13) als de bijstand op het gebied van bedrijfshulpverlening (Art. 15) goed afgedekt. Safety and Health Officers worden ingezet als preventiemedewerker en als verantwoordelijke bedrijfshulpverlener.

Veiligheid en gezondheid op het werk zijn geïntegreerd in het totale beleid van de organisatie en kunnen alleen worden gerealiseerd, als er voor dit beleid draagvlak bestaat bij zowel werkgever als werknemers. Door de werkgever van de organisatie wordt, als onderdeel van het totale arbeidsomstandighedenbeleid, beleid geformuleerd voor het 'voorbereid zijn en reageren op noodsituaties' van de organisatie. Dit beleid wordt aan alle werknemers bekend gemaakt en is voorzien van een autorisatie van de werkgever.

Om effectief op noodsituaties te kunnen reageren, wordt het intern noodplan schriftelijk vastgelegd en zo nodig periodiek herzien, zodat continue verbetering wordt bereikt. 1 x per jaar beoordeelt de directie (de werkgever) in een management review of het beleid continu geschikt, adequaat en doeltreffend is en wordt het beleid opnieuw geformuleerd. 

De werkgever is verantwoordelijk dat op de organisatie afgestemde preventieve, preparatieve en repressieve maatregelen genomen worden, zodat adequate preventie, bescherming en bedrijfshulpverlening gewaarborgd zijn en goede nazorg wordt verleend en laat zich ten aanzien hiervan bijstaan door deskundige werknemers en andere deskundige personen. De arbeid moet zo zijn georganiseerd, dat daarvan geen nadelige invloed uitgaat op de veiligheid en gezondheid van de werknemers en er moeten doeltreffende maatregelen zijn getroffen en doeltreffende verbindingen worden onderhouden.

Elke werknemer moet bij ernstig en onmiddellijk gevaar voor zijn eigen veiligheid of die van anderen, passende maatregelen kunnen nemen om de gevolgen van een dergelijk gevaar te voorkomen. De werkgever zorgt dat de gevaren en risico’s zo veel mogelijk bij de bron worden aangepakt (pro-actie) en als dat niet mogelijk is, dat andere doeltreffende maatregelen worden genomen om gevaar te voorkomen en risico’s te elimineren (preventie) en dat deskundige werknemers die belast zijn met bedrijfshulpverlening zich door oefening en scholing goed voorbereiden (preparatie), waardoor zij bij calamiteiten en incidenten in staat zijn de gevolgen van ongevallen te beperken door adequate spoedeisende hulp te verlenen (repressie), waarna zij medewerking kunnen verlenen aan maatregelen die gericht zijn op de terugkeer naar de normale situatie (nazorg).

“Voor een goede uitvoering moeten de deskundige werknemers inzake bedrijfshulpverlening beschikken over een opleiding en inzake preventie en bescherming over deskundigheid en ervaring. Zij beschikken tevens over de benodigde uitrusting en er zijn voldoende deskundige werknemers aanwezig die zo zijn georganiseerd, dat zij de bijstand naar behoren kunnen verlenen”.

Het aantal deskundige werknemers moet zijn gebaseerd op de RI&E, mede daarom moet een organisatie bij het opzetten van de preventie en de BHV-organisatie beginnen met het verrichten en opstellen van een RI&E. Naast de RI&E wordt bij de organisatie van de bedrijfshulpverlening rekening gehouden met de maatgevende factoren.

Maatgevende factoren zijn:

  1. de aard, de grootte en de ligging van de organisatie; 
  2. de aanwezige gevaren (ook gevaren in de omgeving) en voor de organisatie maatgevende brandscenario's;
  3. het terreurdreigingsniveau;
  4. het aantal aanwezige personen (werknemers en bezoekers) en wanneer zij aanwezig zijn;
  5. het aantal personen dat zich in noodsituaties niet zelfstandig in veiligheid kan brengen;
  6. de opkomsttijd en mogelijkheden van de externe hulpverleningsdiensten;
  7. de aanwezigheid van deskundige werknemers;
  8. de mogelijkheid om met organisaties in de buurt samen te werken;
  9. de inschakeling van (interne) arbodeskundigen.
Naar aanleiding van de RI&E wordt bepaald wat de geïdentificeerde risico’s van de organisatie zijn en welke daarvan als de belangrijkste risico’s worden geclassificeerd, op basis waarvan de organisatie een Plan van Aanpak (PvA) moet opstellen. De risico's worden aangepakt volgens de arbeidshygiënische strategie. Na eliminatie (of beperking) van de meeste risico's zal uiteindelijk een aantal risico's overblijven. Dit zijn de restrisico's, waarvoor het laatste PvA, het intern noodplan, wordt opgesteld. 

Een onderdeel van het intern noodplan is het BHV-plan. Om het BHV-plan uit te kunnen voeren, wordt een BHV-organisatie opgezet die is voorzien van deskundige werknemers, die in staat zijn op adequate wijze hulp te verlenen. NedCert heeft in certificatieschema’s vastgelegd wat daarbij onder adequate hulpverlening wordt verstaan.

De Taken, Bevoegdheden en Verantwoordelijkheden (TBV) van functies in de BHV-organisatie zijn schriftelijk vastgelegd, de leden van de BHV-organisatie worden schriftelijk aangesteld en de BHV-organisatie is ingebed in de totale organisatie en is opgenomen in het organogram. De leden van de BHV-organisatie en haar TBV zijn aan alle werknemers bekend gemaakt. 

Om (rest)risico’s aan te pakken en een BHV-organisatie goed op te zetten, te onderhouden en continu te verbeteren, zijn bij de NedCert methode eisen vastgelegd waaraan een organisatie moet voldoen.

De vijf eisen zijn:

  1. De organisatie moet een RI&E hebben uitgevoerd (inclusief uitwerking Plan van Aanpak);
  2. De organisatie moet een intern noodplan hebben opgesteld;
  3. De organisatie moet een BHV-organisatie hebben opgezet en ingericht, voorzien van deskundige werknemers (NedCert gecertificeerde Safety and Health Officers en bedrijfshulpverleners); 
  4. De organisatie moet aan de hand van de NedCert BHV methode het intern noodplan en de BHV-organisatie continu verbeteren;
  5. De directie van de organisatie moet regelmatig het 'veiligheidsbeleid bij noodsituaties' beoordelen om de continue geschiktheid en doeltreffendheid ervan te bewerkstelligen en het betreffende beleid (als onderdeel van het arbeidsomstandighedenbeleid) formuleren.

Nadere uitwerking van de betekenis van de gestelde eisen

1) De organisatie moet een RI&E hebben uitgevoerd;

De SHO'er verleent medewerking aan het verrichten en opstellen van de RI&E. De werkgever organiseert de arbeid zodanig, dat deze geen nadelige invloed heeft op de veiligheid en de gezondheid van de werknemer. Als uit de RI&E blijkt dat dit toch het geval is, moet de werkgever de gevaren en risico's voor de veiligheid en de gezondheid van de werknemer zoveel mogelijk in eerste aanleg bij de bron daarvan voorkomen of beperken en mag pas als dit niet mogelijk is andere doeltreffende maatregelen nemen, waarbij maatregelen gericht op collectieve bescherming de voorrang hebben boven maatregelen gericht op individuele bescherming. Pas als laatste mogelijkheid mogen doeltreffende en passende persoonlijke beschermingsmiddelen (PBM) aan de werknemer ter beschikking worden gesteld. Een Plan van Aanpak (PvA), waarin de risico-beperkende maatregelen zijn beschreven, maakt deel uit van de RI&E. Ook wordt in het PvA aangegeven binnen welke termijn de maatregelen zullen zijn genomen.

De werkgever voert overleg met de Ondernemingsraad (OR) of de personeelsvertegenwoordiging (PVT) over het arbeidsomstandighedenbeleid. In ondernemingen waarin minder dan 10 personen werkzaam zijn, voert de werkgever overleg met de belanghebbende werknemers over de RI&E en de organisatie van de deskundige bijstand. Deskundige werknemers en andere deskundige personen en de volgens Artikel 20 gecertificeerde deskundige of arbodienst, werken bij het verlenen van bijstand aan de werkgever samen. De werkgever moet de RI&E laten toetsen en daarover advies laten uitbrengen door een (interne) deskundige die, volgens Art. 20 Arbeidsomstandighedenwet, in het bezit is van een certificaat voor arbeids- en bedrijfsgeneeskunde, arbeidshygiëne, veiligheidskunde of arbeids- en organisatiekunde.

Dit wordt de maatwerkregeling genoemd. Als de bijstand niet volgens de maatwerkregeling is georganiseerd, dan moet de werkgever zich laten bijstaan door een volgens Art. 20, gecertificeerde arbodienst die bij voorkeur deel uitmaakt van de onderneming. Dit wordt de vangnetregeling genoemd. Een schriftelijke kopie van dit advies wordt door de deskundige, gezonden aan de OR of PVT en als er geen OR of PVT is, wordt de kopie door de werkgever gezonden aan de belanghebbende werknemers. De RI&E en het PvA vallen onder het instemmingsrecht van de OR of PVT en als er geen OR of PVT is, onder het adviesrecht van de personeelsvergadering. In een aantal gevallen hoeft de RI&E niet te worden getoetst. Op basis van de RI&E moeten de risico’s worden geïnventariseerd en geëvalueerd. Omdat de RI&E altijd actueel moet zijn, moet het worden onderhouden. De RI&E moet zo dikwijls worden aangepast als de daarmee opgedane ervaring, gewijzigde werkmethoden of werkomstandigheden of de stand van de wetenschap en professionele dienstverlening daartoe aanleiding geven. Dit betekent dat elke verandering in de organisatie moet worden doorgevoerd in de RI&E.

2) De organisatie moet een intern noodplan hebben opgesteld;

Door de in het noodplan, vastgelegde risicoscenario's, procedures en werkinstructies regelmatig te oefenen, bereidt de BHV-organisatie zich voor op noodsituaties. Door de doelstellingen van het noodplan meetbaar te maken met prestatie-indicatoren, kan worden bepaald of de doelstellingen zijn bereikt. Tijdens (de evaluatie van) een inzet of oefening zal dan blijken of het intern noodplan geschikt, adequaat en doeltreffend is en zo nodig moeten preventieve en/of corrigerende maatregelen ter verbetering worden geformuleerd en geïmplementeerd. Het intern noodplan is het laatste PvA dat wordt opgesteld voor het beheersen van risico's binnen een organisatie en bevat alle informatie, maatregelen en voorzieningen om volgens van te voren opgestelde procedures bij ongevallen, calamiteiten en incidenten de gevolgen te minimaliseren en adequate spoedeisende hulp te verlenen, totdat de externe hulpverleningsdiensten zijn gearriveerd. Er moet altijd als eerste worden vastgesteld welke maatregelen op het gebied van bedrijfshulpverlening al binnen de organisatie zijn genomen (nulmeting), waarna aan de hand van de uitkomsten van de RI&E en de maatgevende factoren het intern noodplan wordt opgesteld.

De inhoud van een intern noodplan
Het intern noodplan wordt zodanig opgesteld dat het gemakkelijk kan worden aangepast. Een goed intern noodplan is beknopt van omvang, en is voor iedereen (ook voor externe hulpverlening) te begrijpen. Een documentatiebeheerder bewaakt de actualiteit van het intern noodplan. Het noodplan bestaat uit de volgende onderdelen:

  1. inhoudsopgave;
  2. algemeen deel;
  3. deelplannen.

Naast het algemeen deel bestaat het noodplan uit deelplannen, met ten minste een:

  • preventie- en preparatieplan (inclusief opleidingsplan en oefenschema);
  • communicatieplan;
  • ontruimingsplan;
  • calamiteitenplan;
  • continuïteitsplan;
  • BHV-plan;
  • nazorgplan.

Afhankelijk van de restrisico’s van een organisatie kan zijn voorzien in diverse andere deelplannen. Met een plan wordt in dit verband bedoeld een zeer beknopte omschrijving van het proces.

Algemeen deel
Het algemeen deel geeft een zeer korte beschrijving van de uitgangspunten op basis waarvan het noodplan is opgesteld en bestaat uit de algemene gegevens van de organisatie, zoals bedrijfsnaam, adres, de werkzaamheden, de restrisico’s en de doelstellingen en de genomen beheersmaatregelen. 

Preventie- en preparatie plan
In het preventie- en preparatieplan zijn alle preventieve maatregelen, middelen, materialen en voorzieningen opgenomen. Een opleidings- en oefenschema moet zijn vermeld en er moet blijken hoe en wanneer de deskundige werknemers jaarlijks aan de eisen van het onderhoud van de NedCert vakbekwaamheid certificaten blijven voldoen. 

Communicatieplan
Adequate communicatie tijdens een crisissituatie zal beter verlopen als van te voren een communicatieplan is opgesteld. Gebruik wordt gemaakt van ervaring van de organisatie zelf en van ervaring van andere organisaties ten aanzien van ongevallen, calamiteiten en incidenten (best practices). De oplossing van een crisis begint met het opstarten van crisiscommunicatie, waarbij het initiatief tot communiceren door een pro-actieve houding bij de organisatie moet liggen.

Ontruimingsplan
In het ontruimingsplan staan alle maatregelen en procedures voor de ontruiming van een gebouw. Een ontruimingsplan heeft een logboek, waarin onder andere wordt vermeld wanneer een ontruimingsoefening of inzet heeft plaatsgevonden, alsmede wanneer welke wijziging in het ontruimingsplan is geïmplementeerd.

Calamiteitenplan
In het calamiteitenplan, moet in procedures zijn vastgelegd hoe restrisico's worden beheerst en bij verschillende organisaties zal het accent op verschillende restrisico’s liggen (zorg-op-maat).

Continuïteitsplan
In dit plan zijn van te voren alle maatregelen beschreven voor de garandering van de continuïteit van de organisatie. 

Bedrijfshulpverleningsplan
Het BHV-plan moet mondeling en schriftelijk aan alle werknemers bekend worden gemaakt. Het moet minimaal 1 keer per jaar worden geoefend en aan de hand daarvan worden bijgesteld en het moet aansluiten op de mogelijkheden van de brandweer en op de regionaal rampenplannen van de veiligheidsregio waarin de onderneming is gevestigd. 

Nazorgplan
In dit plan zijn van tevoren alle maatregelen beschreven die in verband met nazorg kunnen worden genomen. Tevens is beschreven welke functie hiervoor verantwoordelijk is.

3) De organisatie moet een BHV-organisatie hebben opgezet en ingericht, voorzien van deskundige werknemers (NedCert gecertificeerde Safety and Health Officers en -bedrijfshulpverleners);

Op basis van de belangrijkste restrisico's, de maatgevende factoren en de vastgelegde TBV, wordt een BHV-organisatie opgezet en ingericht, welke een voorpost functie vervult voor de externe hulpverleningsdiensten en wordt vastgesteld hoeveel SHO'ers voor de beheersing van noodsituaties noodzakelijk zijn (kwantiteit van de BHV-organisatie). Het aantal SHO'ers dat nodig is kan hier gratis worden berekend. De SHO'ers moeten alle andere werknemers voorlichten, instrueren en informeren op het gebied van veiligheid en gezondheid. Reeds aanwezige expertise in een organisatie, moet worden ingezet bij het inrichten van een BHV-organisatie. Dit betreft expertise op het gebied van inkoop en budgetbeheer, leiding geven, communicatie en voorlichting, ICT, preventie, risicomanagement, slachtofferhulp, crisismanagement, vaststellen van beleidsdoelstellingen, werken met gevaarlijke stoffen etc. Als binnen de organisatie kennis en vaardigheden op dergelijke gebieden aanwezig zijn, dan moet deze expertise ook worden ingezet ten behoeve van de BHV-organisatie. Als er binnen een organisatie reeds kennis en vaardigheden aanwezig zijn op hulpverleningsgebied (bijvoorbeeld artsen in een ziekenhuis of personen die lid zijn van de brandweer), dan moet daar gebruik van worden gemaakt.

Daarom is bij deze methode sprake van twee vakbekwaamheid gebieden:

  • SEHSO spoedeisende hulpverlening bij slachtoffers;
  • SEHCI spoedeisende hulpverlening bij calamiteiten en incidenten.

De organisatie bepaalt welke SHO'er een leidinggevende- of organisatorische functie krijgt, welke leidinggevende vervolgens als zodanig schriftelijk wordt geïdentificeerd (aangesteld) en uit het intern noodplan moet blijken hoe in de vervanging van de leidinggevende functie is voorzien. Alle TBV moeten schriftelijk zijn vastgelegd. De calamiteit vindt plaats daar waar de BHV-organisatie zich bevindt, daarom kan er niet van uitgegaan worden dat de volledige BHV-organisatie intact is en zal voor adequate vervanging moeten zijn gezorgd.

NedCert SEHSO + SEHCI = SHO'er
De SHO'ers voldoen aan de omschrijving die op hen van toepassing is, uit de Arbeidsomstandighedenwet inzake het verlenen van bijstand en zijn als deskundige werknemers onder andere in staat, medewerking te verlenen aan het verrichten en opstellen van een RI&E, de OR of PVT te adviseren en nauw met hen samen te werken, mee te werken aan de uitvoering van (preventieve) maatregelen gericht op een zo goed mogelijk arbeidsomstandighedenbeleid, adequate hulp te verlenen aan slachtoffers en bij calamiteiten en incidenten, medewerking te verlenen aan het opzetten en onderhouden van het intern noodplan en de BHV-organisatie, leiding te geven aan een BHV-ploeg, de inzet van deze ploegen te coördineren en zijn volledig uitwisselbaar, waardoor in geval van nood de ene SHO'er de andere direct kan vervangen. Doordat zij in vrijwel iedere noodsituatie adequaat kunnen handelen op uitvoerend en op leidinggevend niveau, zijn zij in staat binnen iedere organisatie zorg-op-maat te verlenen en zijn zij uitwisselbaar tussen organisaties uit diverse branches. Voor basis taken die door de BHV-organisatie moeten worden uitgevoerd, wordt in veel gevallen volstaan met het certificaat NedCert BHV-Bedrijfshulpverlener.

NedCert BHV-Bedrijfshulpverlener
De NedCert BHV-Bedrijfshulpverlener is in staat de basis taken van bedrijfshulpverlening uit te voeren, waarbij de werkwijze volledig aansluit op die van de SHO'er. Personen in het bezit van het certificaat NedCert BHV-Bedrijfshulpverlener worden ingezet als ondersteuning van de SHO'er, of bij organisaties met weinig risico als de bedrijfshulpverlener.

Beroepscompetentieprofiel
De competenties van een SHO'er staan hier vermeld onder het onderwerp van certificatie dat is beschreven in een competentieprofiel. Hier staan ook de competenties van de NedCert BHV Bedrijfshulpverlener in een competentieprofiel vermeld.

4) De organisatie moet aan de hand van de NedCert BHV methode het intern noodplan en de BHV-organisatie continu verbeteren;

Bij de NedCert methode wordt er van uitgegaan dat een BHV-organisatie, ondanks goede preventieve maatregelen, kan worden geconfronteerd met een probleem dat gezamenlijk moet worden opgelost, waarna vervolgens moet worden gezorgd dat dit probleem zich in de toekomst niet meer kan voordoen. Alle SHO'ers zijn daarom op hetzelfde adequate niveau opgeleid, zodat het mogelijk is gebruik te maken van de intelligentie, de vakbekwaamheid en het vermogen om beslissingen te nemen, van de gecertificeerde. Er is daardoor continu sprake van het vermogen om aan de hand van informatie vanuit een steeds veranderende omgeving de doelstellingen continu aan te passen, waardoor, het gedrag van de SHO'ers, en de BHV-organisatie als geheel, continu verbetert. De wijze waarop de organisatie tijdens een inzet of oefening heeft gereageerd wordt geëvalueerd, zodat hiervan kan worden geleerd, wat de aanzet geeft tot continue verbeteringen in de vorm van preventieve- en corrigerende maatregelen, die na een beoordeling worden geïmplementeerd in het noodplan.

5) De directie van de organisatie moet regelmatig het 'veiligheidsbeleid bij noodsituaties' beoordelen om de continue geschiktheid en doeltreffendheid ervan te bewerkstelligen en het betreffende beleid (als onderdeel van het arbeidsomstandighedenbeleid) formuleren.

De werkgever beoordeelt het veiligheidsbeleid regelmatig, bijvoorbeeld jaarlijks, als onderdeel van de beoordeling van het totale arbeidsomstandighedenbeleid (management review van het arbomanagementsysteem). Daarbij wordt beoordeeld of het gevoerde beleid heeft voldaan aan de doelstellingen die van te voren SMART zijn opgesteld, om te zorgen dat dit continu geschikt, adequaat en doeltreffend is. Uit de beleidsverklaring die volgt uit de beoordeling door de directie, moet blijken dat de werkgever, die immers verantwoordelijk is, betrokken is bij de opzet, het onderhoud en de continue verbetering van de BHV-organisatie. Bij de volgende beoordeling door de directie wordt vastgesteld of de doelstellingen zijn behaald en wordt het beleid zo nodig bijgesteld. Ook voor het 'veiligheidsbeleid bij noodsituaties' betekent dit dat nieuwe doelstellingen kunnen worden geformuleerd en geïmplementeerd.

Slot
Door de BHV-organisatie in te richten met SHO'ers, die in staat zijn om voor deskundige bijstand aan de werkgever, van uitvoerend tot leidinggevend niveau, de NedCert BHV methode toe te passen, zal tijdens voorbereiding en reactie op noodsituaties steeds meer geleerd worden van ervaringen en worden deze nieuwe inzichten in het intern noodplan geïmplementeerd. Tevens zal door de toepassing van deze methode bij alle (veiligheids)werkzaamheden het beleid voor veiligheid en gezondheid worden geïntegreerd in het beleid van de totale organisatie, omdat draagvlak ontstaat bij zowel werkgever als werknemers, wat een positieve bijdrage zal leveren aan de continuïteit van de totale organisatie.